How to Count in Dutch

By Margreet Kwakernaak

Part of Dutch For Dummies Cheat Sheet

Learning to count in Dutch is just as important as learning the alphabet. Here are some vital numbers from 0 to 1000. You’ll soon be counting from één to tien in no time.

0 nul (nuhl)
1 één (ayn)
2 twee (tvay)
3 drie (dree)
4 vier (feer)
5 vijf (fayf)
6 zes (zes)
7 zeven (zay-fern)
8 acht (akht)
9 negen (nay-khern)
10 tien (teen)
11 elf (elf)
12 twaalf (twaalf)
13 dertien (dehr-teen)
14 veertien (fayr-teen)
15 vijftien (fayf-teen)
16 zestien (zes-teen)
17 zeventien (say-fern-teen)
18 achttien (akh-teen)
19 negentien (nay-khern-teen)
20 twintig (tvin-tikh)
21 eenentwintig (ayn-ern-tvin-tikh)
22 tweeëntwintig (tvay-ern-tvin-tikh)
23 drieëntwintig (dree-ern-tvin-tikh)
24 vierentwintig (feer-ern-tvin-tikh)
25 vijfentwintig (fayf-ern-tvin-tikh)
30 dertig (dehr-tikh)
40 veertig (fayr-tikh)
50 vijftig (fayf-tikh)
60 zestig (zes-tikh)
70 zeventig (zay-fern-tih)
80 tachtig (takh-tikh)
90 negentig (nay-khern-tikh)
100 honderd (hon-dert)
200 tweehonderd (tway-hon-dert)
300 driehonderd (dree-hon-dert)
400 vierhonderd (feer-hon-dert)
500 vijfhonderd (fayf-hon-dert)
1000 duizend (doai-zernt)