Learning to count in Dutch is just as important as learning the alphabet. Here are some vital numbers from 0 to 1000. You’ll soon be counting from één to tien in no time.

0 nul (nuhl)
1 één (ayn)
2 twee (tvay)
3 drie (dree)
4 vier (feer)
5 vijf (fayf)
6 zes (zes)
7 zeven (zay-fern)
8 acht (akht)
9 negen (nay-khern)
10 tien (teen)
11 elf (elf)
12 twaalf (twaalf)
13 dertien (dehr-teen)
14 veertien (fayr-teen)
15 vijftien (fayf-teen)
16 zestien (zes-teen)
17 zeventien (say-fern-teen)
18 achttien (akh-teen)
19 negentien (nay-khern-teen)
20 twintig (tvin-tikh)
21 eenentwintig (ayn-ern-tvin-tikh)
22 tweeëntwintig (tvay-ern-tvin-tikh)
23 drieëntwintig (dree-ern-tvin-tikh)
24 vierentwintig (feer-ern-tvin-tikh)
25 vijfentwintig (fayf-ern-tvin-tikh)
30 dertig (dehr-tikh)
40 veertig (fayr-tikh)
50 vijftig (fayf-tikh)
60 zestig (zes-tikh)
70 zeventig (zay-fern-tih)
80 tachtig (takh-tikh)
90 negentig (nay-khern-tikh)
100 honderd (hon-dert)
200 tweehonderd (tway-hon-dert)
300 driehonderd (dree-hon-dert)
400 vierhonderd (feer-hon-dert)
500 vijfhonderd (fayf-hon-dert)
1000 duizend (doai-zernt)